De afhandeling van PTSS-dossiers: een stille crisis

Gepubliceerd op: 17-05-2021
We weten het allemaal: politiemensen maken een hoop mee. Dingen die fysiek en emotioneel een flinke impact kunnen hebben en soms leiden tot PTSS. Deze ziekte neemt een steeds grotere plek in binnen de politieorganisatie. Ik hoor veel verhalen van medewerkers en schrik ervan hoeveel politiemensen hiermee te kampen hebben. Het is duidelijk: PTSS is er. We moeten accepteren dat sommige mensen ziek worden van de dingen die ze meemaken in hun werk. Ik merk dat die acceptatie er binnen de organisatie al steeds meer is, maar alsnog spelen er grote problemen in de afhandeling van PTSS-dossiers.


Wat is er aan de hand?
Ik heb met veel mensen gesproken die PTSS hebben en zij zijn gefrustreerd door hoe de procedure nu verloopt. Het is een doolhof en er zijn veel juridische protocollen waarin de menselijke maat ontbreekt. Mensen zijn een dossier en er wordt niet gekeken naar de mens áchter het dossier. Ik hoor van veel medewerkers dat ze haast kapot gaan aan hoe het proces nu verloopt: "Als ik nog geen PTSS had gehad, dan had ik het nu wel gekregen."

De huidige zorggesprekken verlopen problematisch. Er wordt rigide omgegaan met regelgeving en het systeem is ongelofelijk gejuridiseerd: toon maar aan dat je PTSS hebt, toon maar aan dat je daardoor extra kosten maakt en toon maar aan dat je je werk niet meer kunt doen. Het gaat er in het huidige systeem met name om dat dossiers zo snel mogelijk afgesloten worden met zo min mogelijk kosten. Er is geen ruimte voor mensen die niet in het protocol passen en in het hele traject lopen collega’s steeds tegen drempels aan die een trigger zijn voor veel stress.

Hoe gaan we om met regelgeving?
Tijdens de huidige procedure wordt er star vastgehouden aan regelgeving waardoor de menselijke maat verdwijnt. Ik snap dat het moeilijk is om regels los te laten. We zijn tenslotte de politie en handhaving van de regels zit in ons DNA. Toch kunnen we naar buiten toe wel met compassie naar de mensen kijken en flexibel met de regels omgaan. Dan zien we de menselijke maat wél. Maar intern vinden we dat moeilijk en vallen we steeds weer terug op regelgeving die ook nog eens tekortschiet. Maar hoe je omgaat met PTSS is niet strak in regels te gieten. Er is niet één oplossing voor alle gevallen, want elk geval is uniek.

Ikzelf zie de regels niet als startpunt maar als een vangnet voor als andere dingen niet meer werken. Natuurlijk zijn regels belangrijk, maar als ze niet passen moeten we een andere oplossing vinden. Die flexibiliteit mist nu en dat moet anders. Een ander punt is dat als er nieuwe regels zijn, we daar ook daadwerkelijk iets mee moeten doen. En dat is waar ik het vaak mis zie gaan. De regels veranderen langzamerhand en procedures worden aangepast, maar ik zie dat het gedrag bij het uitvoeren van die nieuwe regels niet verandert. Er wordt nog steeds verwacht dat iedereen met een beroepsziekte in hetzelfde hokje past. Zo blijft de situatie alsnog hetzelfde.

Hoe moet het dan wel?
Ik erken dat PTSS een moeilijk dossier is, maar het moet beter dan dat het nu gaat. Het kan niet zo zijn dat deze procedures net zo traumatiserend zijn als de ziekte zelf. Ik wil daarom dat er meer en betere zorggesprekken worden gevoerd door mensen met verstand van zaken, zoals maatschappelijk werkers, psychologen en geestelijk verzorgers. Er moet meer rekening worden gehouden met de mens, want het is niet zwart-wit en er is geen one size fits all.

Er worden wel stappen gezet want op 22 april is door het programma Bijzondere Zorg een advies gepresenteerd aan de korpsleiding met de titel ‘Geef de zorg een open deur en een hele nieuwe kleur’. Hierin staan verregaande voorstellen over het verbeteren van de toegang tot en de inrichting van professionele gezondheidszorg op maat. Het doel: goede ondersteuning, goede zorg – ook aan de familieleden – en een goede administratie. Het gaat erom dat collega’s niet weggewerkt worden maar begeleiding krijgen. Dat ze in de afhandeling krijgen waar ze recht op hebben. En dat er geïnvesteerd wordt om hen binnenboord te houden. Op deze manier moeten we hen weer laten landen in de maatschappij.

Hulpverleners, óók voor elkaar
Ik ben heel blij met die ontwikkelingen die gaande zijn en met het nieuwe rapport maar ik maak me tegelijkertijd zorgen over de uitvoering ervan. Ik vang signalen op dat er een beperkte bereidwilligheid is om het op te pakken maar het is juist zo belangrijk om dat wel te doen. We zijn tenslotte hulpverleners. Ook dát zit in ons DNA. Waar gaat het dan mis dat we er zo slecht in slagen om onze collega’s met PTSS of een andere beroepsziekte te helpen bij het oplossen van de knelpunten? En om te zorgen voor elkaar? Laten we ook intern met compassie naar de ander kijken en collega’s helpen in plaats van tegenwerken.
PTSS is er nu eenmaal en gaat niet meer weg.

Aldus Loes Thissen, voorzitter Centrale Ondernemingsraad

Wilt u een reactie plaatsen op dit bericht? Raadpleeg dan ons contactformulier. Contactformulier